Liegen: wanneer is het ongezond?
Stella van Schaik
Geschreven door
Klinisch coördinator & Online psycholoog

Iedereen liegt weleens. “Een leugentje om eigen bestwil” is een mooie uitspraak in de Nederlandse taal. Maar wat nou als dit toch iets te vaak gebeurt? Of als je merkt dat je liegt, zonder dat je dat eigenlijk wilt? Veel mensen lopen hier tegenaan. In deze blog vertellen we je meer over liegen en hoe dit in zijn werk gaat.

De functie van liegen

Waarom liegen mensen nou eigenlijk? Het verdraaien van de waarheid komt voor veel mensen goed uit. Ons brein wil graag dat dingen kloppen: zo vinden we het fijn om informatie in hokjes te plaatsen, zodat het duidelijk is wat waar hoort en hoe we in bepaalde situaties moeten reageren. Het brein is in die zin liever lui dan moe. Op deze manier kunnen we alle informatie verwerken die op ons pad komt, zonder telkens alles wat we kennen opnieuw te moeten plaatsen.

De functie van liegen

Compulsief liegen

Maar wat nou als de informatie niet overeenkomt met wat we in ons hoofd hebben zitten? Dan ontstaat er een botsing, wat we cognitieve dissonantie noemen.

In dit geval hebben we twee keuzes: we kunnen de input aanpassen of we kunnen het hokje aanpassen, zodat het bij de input past. De tweede optie is echter veel meer werk: het kan zijn dat we daarvoor overtuigingen aan moeten passen, dat we andere informatie moeten heroverwegen of dat we informatie moeten rangschikken.

De eerste optie is in die zin makkelijker: het aanpassen van de input door te doen alsof de informatie anders was en het daardoor te laten passen in het bijbehorende hokje.

Voor sommige mensen is het lastig om niet te liegen, ook als iemand wel eerlijk zou willen zijn. Dit noem je “compulsief liegen”. Het lijkt bijna een soort dwang om het wel te moeten doen. De term “compulsieve leugenaar” wordt in de volksmond hier ook steeds vaker voor gebruikt.

Voorbeeld

Bijvoorbeeld: “Ik vind mijzelf een opgeruimd persoon.” Dit past bij de overtuiging die ik over mezelf heb: “Ik ben netjes” of “Ik ben een goed mens.” Als ik over straat loop, mijn afval op straat gooi en het daar laat liggen, ontstaat er cognitieve dissonantie. Want de informatie die binnenkomt (ik gooi iets niet in de afvalbak) past niet bij de overtuiging die ik van mezelf heb (ik ben een opgeruimd persoon). Dit geeft onrust.

Om deze onrust op te lossen, kan ik drie dingen doen: ik kan de informatie aanpassen (ik doe alsof ik het wel in de afvalbak heb gegooid), ik kan het negeren en doen alsof het niet is gebeurd (ik heb nooit iets op de grond gegooid) of ik kan de overtuiging aanpassen (ik ben toch een minder opgeruimd persoon dan ik dacht).

De eerste twee opties zijn makkelijker dan de laatste. Daar ontstaat dus het liegen: ik pas de informatie aan, zodat het wél past bij het beeld dat ik van mezelf heb. Dit gaat vaak samen met het ontkennen of niet onder ogen willen komen dat deze situatie zich heeft voorgedaan (want de situatie confronteert mij met mijn daadwerkelijke gedrag en dat wil ik niet).

Voorbeeld van liegen

Wat kun je doen tegen liegen?

Omdat dit een patroon is wat vaak al jarenlang onbewust mee gaat, adviseren we hierin om samen met een hulpverlener te kijken naar hoe het patroon in elkaar zit en hoe je dit kunt tegengaan.

Het is namelijk iets wat een keer is aangeleerd, maar heel moeilijk is om zomaar weer af te leren: het gaat in kleine en grote dingen zitten van het leven. In de behandeling zul je, naast dat je met de overtuigingen aan de slag gaat, met de volgende praktische stappen gaan kijken naar hoe je dit weer terug kunt zetten.

Stap 1: Wanneer gebeurt het?

Om een patroon te leren herkennen en vervolgens ook aan te passen, moeten we eerst weten wanneer het zich voordoet. Samen met een therapeut ga je kijken naar wanneer het liegen voorkomt.

Dit kun je bijvoorbeeld gaan bijhouden door elke dag in de avond even stil te staan bij die dag en te kijken of en wanneer het zich heeft voorgedaan. Soms heb je het op het moment zelf helemaal niet door: dat is niet erg. Dit komt doordat het patroon zo geautomatiseerd is.

Maar wanneer je door begint te hebben wanneer het ongeveer gebeurt, komt er steeds meer duidelijkheid. Je hersenen hebben namelijk de opdracht gekregen om daarop te focussen, dus die gaan daarmee aan de slag: wanneer lieg ik of vertel ik de waarheid niet? Dit wordt in deze dagen steeds duidelijker, omdat je erop gaat letten.

Stap 2: Wat zou ik liever willen doen?

Op het moment dat je beter weet wanneer het gebeurt, kun je het gaan aanpassen. Dat is alleen nog zo makkelijk niet. De patronen zitten er misschien al jaren in en willen ook het liefst blijven. Het kost veel tijd en energie om hier tegenin te gaan. De stap die nu komt is om eerst te gaan kijken: wat zou ik in de plaats daarvan willen doen? Wat had ik liever willen zeggen, of willen doen?

In deze tijd hoeft er nog niet veel te veranderen in het gedrag, maar gebeurt er wel veel mentaal. Je bent namelijk de patronen op deze manier aan het “herschrijven”: ik wil niet A, maar B doen. Hoe ziet dat eruit? Hoe zou ik dat dan zeggen?

In deze fase van de therapie is ook het aangaan van de dieper liggende patronen, zoals de (kern)overtuigingen, heel belangrijk. Die zorgen ervoor dat je ook op de lange termijn het gedrag kunt aanpassen.

Stap 3: Toepassen

In deze stap gaan we aan de slag met het oefenen van het nieuwe gedrag. Dit is heel lastig en ook zeker niet iets wat de hele tijd gaat lukken, maar daarom heet het oefenen.

We starten met het oefenen door op een later moment, erop terug te komen. Op het moment zelf het gedrag aanpassen is namelijk nog even te ingewikkeld: dat moet eerst wat beter worden geoefend voordat je hoofd daarop terug kan vallen. Maar om er later op terug te komen (bijvoorbeeld een uur later, of later die dag, of zelfs de dag daarna), helpt al om bekend te worden met het patroon dat je graag wél wilt zien. Je hoofd raakt dan bekend met dit gedragspatroon, en vindt het daarom makkelijker om erop terug te vallen wanneer nodig.

Bijvoorbeeld: Je bent op je werk en een collega vraagt of je iets al af hebt gemaakt. Je reageert gelijk: “Dat heb ik al gedaan!”, terwijl dat helemaal niet zo is. De reactie is zo snel, dat je amper door hebt dat je het zegt. Maar later denk je: “Waarom heb ik dat nou gezegd? Dat is helemaal niet waar”.

Nu moet je heel hard aan het werk om het alsnog waar te maken, of: je kunt bij je collega terugkomen en zeggen dat het niet klopt. Dit is onwennig om te doen, maar hierdoor zet je jezelf niet zo klem dat je het project ineens al af moet hebben. Je kunt dan bij iemand terugkomen en zeggen: “Ik zei dat ik het al had gedaan, maar ik moet eigenlijk nog wat afmaken. Is het goed als ik volgende week bij je terug kom?”

Hulp bij stoppen met liegen

Hulp bij stoppen met liegen

Merk je dat je regelmatig liegt, terwijl je dat eigenlijk niet wilt? En vind je het lastig om dit patroon zelf te doorbreken? Een psycholoog kan je helpen om te begrijpen waar het liegen vandaan komt en om stap voor stap ander gedrag aan te leren.

Wil je weten wat een psycholoog voor jou kan betekenen? Maak een afspraak voor een gratis kennismakingsgesprek. Dan kijken we samen hoe we je hierbij kunnen helpen.

    Vraag een gratis en vrijblijvende kennismaking aan:

    Hallo, hoe kunnen we je helpen?